
19-03-2011. Ems-Dollart-Winterlaufserie, Holthusen, Duitsland
De laatste loop van de Ems-Dollart-Winterlauf serie in Duitsland. Daar willen wij bij zijn. Dat zullen we beleven. Ook bij deze loopserie een eindherinnering. Het weer is gunstig. Een gezellig zonnetje en een goede looptemperatuur. Ook hier zullen we de vier vrienden ontmoeten. We hebben het afgesproken. Dat wordt weer koffie met gebak. We kunnen ons er nu al op verheugen. Holthusen ligt niet zover bij ons vandaan. Een kleine drie kwartier rijden en we zijn er.
We arriveren ruim op tijd bij de sporthal. De vier vrienden zijn er nog niet. Dan eerst maar een rondje wandelen met Hondje. We vergapen ons aan de mooie huizen. Er is zelfs een huis bij dat op een kasteel lijkt. Twee mooie torens aan weerzijden van het huis. Prachtig! Zo’n huis zou ik ook wel willen. Ik zie me al boven uit het torenraam hangen. Beneden roept Egbert: ‘Iris maak je vlechten los!!! Dan roep ik: ‘Daar komen mijn vlechten al !!!’ Egbert klimt naar boven en sluit mij in zijn armen. Ach ja, sprookjes...Heerlijk om bij weg te zwijmelen. De werkelijkheid is dat we gaan hardlopen. Egbert wil twintig kilometer lopen. Frans tien kilometer.En ik heb zin in een pittige vijf kilometer. Er komt nog een auto met een Nederlands kenteken aangereden. Het is Jan uit Siddeburen. We zien hem vaker aan de start van Duitse loopjes. Jan is niet de enige Nederlander vandaag. Kees, een Hoogezander, weet Holthusen met pijn en moeite te vinden. Gelukkig is hij nog op tijd. Hij gaat zich snel inschrijven. Ondertussen heeft Frans zijn oog op een mooie auto laten vallen. Daar wil hij van alles over weten. Hij wil er zoveel over weten dat hij bijna het lopen vergeet. Gea moet hem wakker schudden om naar de start te gaan. Hij doet nog snel zijn jasje uit. Want het is toch warm vandaag. Een shirt is voldoende. Egbert gooit snel zijn loopjasje op de auto. Dan gaat het vertreksein.
De nordicwalkers lopen tussen de hardlopers in. Dat is niet zo slim. Ik ren ze snel voorbij zodat ik geen last van hen heb. Voor mij zie ik Jan uit Siddeburen lopen. Hem wil ik inhalen. Dat laat hij niet gebeuren. En zo lopen we ruim vier kilometer bij elkaar. We zien Gea en Hennie met Hondje staan. Nu zal de finish niet ver meer zijn bedenk ik me. Toch is het nog een heel eind lopen. Zo ver zelfs dat er geen eind aan lijkt te komen. Jan uit Siddeburen is op mij uitgelopen. Hij wil zeker nog even versnellen voor hij bij de finish is. Van mij mag hij. Ik houd hem in de gaten omdat ik weet dat hij ook de vijf kilometer loopt. Dus loop ik blindelings achter hem aan. Ik vertrouw erop dat hij wel weet waar we linksaf moeten slaan. Dan zie ik hem stoppen. Is de finish daar? Als ik bij hem ben zegt hij dat we te ver zijn gelopen. Ik kijk op mijn horloge. Deze staat op vierendertig minuten! Dan zijn we zeker te ver gelopen. Met het tempo dat we liepen, hadden we met vijfentwintig minuten moeten finishen. Ik baal ervan. Jan ook. We lopen een straat in. Volgens Jan moeten we aan het eind van die straat linksaf. Die weg is lang en die weg is breed. Op deze weg hebben we met de auto gereden. Er staat een bord: Holthuserheide twee kilometer! Oeps! We lopen door. We moeten wel. Ik probeer herkenningspunten te vinden, huizen die ik op de heenweg gezien heb. Het geeft me houvast. Jan speurt ook in het rond. Met de auto kon hij de startlocatie al moeilijk vinden. Lopend is het nog moeilijker. We zien een man in een tuin bezig. Als die man ons ziet duikt hij weg. Maar Jan is vastberaden om hem de weg te vragen. In zijn beste Duits probeert hij uit te leggen wat we van de man verlangen. De man kijkt alsof hij water ziet branden. ‘Ikke begrijpen niet’ lijkt zijn blik ons te zeggen. Jan legt het nog eens uit. De man schudt met zijn hoofd. Hij begrijpt het nog steeds niet. Inwendig sta ik mij te verbijten en kan de man wel schieten. Dan lijkt het kwartje te vallen. Hij begrijpt het! Met grootse gebaren wijst hij de weg. Als we weg lopen roept hij dat de andere weg korter is. Wij willen niets liever op dit moment. We hebben geen behoefte aan een extra kilometer. We lopen midden op de weg. Het is mooi en rustig hier. Toch hebben we er weinig oog voor. Ons doel is terug bij de auto te zijn. Jan heeft het wel gehad met het lopen voor vandaag. Ik ook. De vijf kilometer is ondertussen tien kilometer geworden. We slaan een zijweg in. Waarheen leidt deze weg? We weten het niet. Van herkenning is geen sprake meer. Doorlopen maar. We zien bomen. Veel bomen. A, ha! Hoop doet leven. We geloven onze ogen niet als we een hardloper zien. Zijn we op de goede weg? We lopen zijn kant op. En warempel! Wie komt daar aan in gestrekte draf? Mijn Eggie! Eggie!!!!! Krijs ik. De schat maakt een haakse bocht onze richting op. ‘Waar komen jullie nou vandaan’, roept hij verbaasd. ‘We zijn te ver doorgelopen’. “Hoe kan dat nou, het staat toch goed aangegeven?’Ik weet het niet. Ik liep Jan achterna. Egbert wijst ons de finish. Jan gaat er als een speer vandoor. Hij wil naar zijn heimat. Gea en Hennie komen eraan gelopen. Zij stellen dezelfde vraag als Egbert. En geven min of meer hetzelfde antwoord. Toli schudt zijn hoofd over zoveel domheid als ik hem ons avontuur vertel. Ja, zij hebben makkelijk praten. Jan en ik lopen hier voor de eerste keer. En de lopers voor ons liepen ook door. Ik ben blij dat we er zijn. Voor hetzelfde geld hadden we nu nog lopen dolen door Duitsland.
Na een heerlijke douche gaan we in Bunde nog even boodschappen doen. Er is een nieuw ‘eiscafé’ geopend. Die gaan we uitproberen! We kiezen kleurige bolletjes. Lekker! Egbert haalt nog snel een fles lekkers voor vanavond. Onze dag kan niet meer stuk.
Iris Bouman-Hoogerdijk.